Het bepalen wanneer er moet worden gedecanteerd is op zich eenvoudig. Ookal bestaan er geen officiële regels, de volgende drie adviezen zijn algemeen gangbaar:

1. Wanneer de wijn oud genoeg is en u verwacht dat deze bezinksel bevat (meestal bij wijnen van vijf jaar of ouder), is het aan te raden de wijn te decanteren.
Het doel hiervan is om het bezinksel uit het glas te houden.
Indien de wijn zeer oud is, dan is het overigens altijd raadzaam te decanteren. Wel moet de gedecanteerde wijn niet te lang open blijven staan, omdat anders het ‘bouquet’ verdwijnt.
2. Heeft u grote, zware wijnen, welke “gesloten” zijn, of door hun leeftijd veel taninnes bevatten, moet u deze zeker decanteren. In dit geval decanteert u de wijn zodat deze ‘zachter’ en meer open wordt.
Het contact met de zuurstof zorgt ervoor dat de wijn zichzelf ‘opent’ (meer aroma’s en smaken).
Betreft het een ‘grote’ jonge wijn, dan moet u deze ook decanteren. Een periode tussen twee en vierentwintig uur is in de regel genoeg. Dit zorgt ervoor dat het bouquet zich ontwikkelt.
3. Als u de situatie speciaal wilt maken, kunt u de wijn in een decanteerkaraf doen. Zo kunt u de wijn mooi tonen.

Wijnen die meestal niet gedecanteerd hoeven worden zijn alledaagse witte of rode wijnen.